Home » Hoofdstuk 1 Fase en faseovergangen » Opdracht 1 Stoffen en eigenschappen

Opdracht 1 Stoffen en eigenschappen



Voorbeelden van stoffen zijn: hout, metaal, plastic, glas, katoen, etc.

Een stof kun je herkennen aan zijn stofeigenschappen.


Voorbeelden van stofeigenschappen zijn:

kleur: goud heeft zijn eigen kleur.

geur: benzine kun je ruiken.

smaak: suiker smaakt zoet, citroen smaakt zuur.

brandbaarheid: hout is brandbaar, water brandt niet.

geleiding: metalen geleiden warmte en elektriciteit.

magnetisme: ijzer kan magnetisch zijn.



De bouwstenen van stoffen noem je moleculen.

Als een stof uit één soort moleculen bestaat, spreek je van een zuivere stof.

Zuiver water bestaat uit alleen watermoleculen.

24-karaats goud is ook een voorbeeld van een zuivere stof.


Bestaat een stof uit meerdere soorten moleculen dan spreek je van een mengsel.

Een voorbeeld van een gasmengsel is lucht.

In lucht zitten zuurstof-, stikstof- en kooldioxidemoleculen.